07 Apr 2026
|
3 min read
De BN’er draait door. Wij zijn allang afgehaakt.
J
Jan Veenstra
Auteur
Er zijn avonden dat de televisie uit blijft. Niet uit principe, niet uit protest — gewoon uit zelfbescherming. Een mens heeft tenslotte grenzen.
Je kunt maar zoveel “bekende Nederlanders” verdragen voordat je jezelf begint af te vragen of je per ongeluk in een eindeloze kringverjaardag bent beland waar niemand ooit naar huis gaat.
Want laten we eerlijk zijn: de Nederlandse televisie is geen medium meer, het is een ecosysteem. Een gesloten kringloop waarin dezelfde tien hoofden voortdurend van programma naar programma migreren. Vandaag zitten ze in een quiz, morgen in een talkshow en overmorgen liggen ze zogenaamd spontaan in een badkuip om een nieuw schoonmaakmiddel aan te prijzen. Circulariteit is belangrijk, horen we altijd — nou, dat is bij deze sector uitstekend gelukt.
En dan het Journaal. Ooit bedoeld om je bij te praten over de wereld, tegenwoordig vooral een dagelijkse reminder dat het allemaal nog net iets erger kan. Je zet het aan met het idee: “Even kijken wat er speelt.” Vijf minuten later zit je zwijgend voor je uit te staren, terwijl ergens in je achterhoofd een stem fluistert: misschien was onwetendheid toch niet zo’n slechte levenshouding.
Maar goed, stel dat je dapper doorzet. Dat je denkt: kom, we gaan voor ontspanning. Dan beland je bij VI — zogenaamd satire van de bovenste plank, maar in werkelijkheid een derderangs praatprogramma dat zichzelf serieus genoeg neemt om gevaarlijk te worden. Mannen aan tafel, meningen in de aanslag, en een gesprek dat ergens tussen voetbal, verontwaardiging en herhaling blijft hangen. Het tempo ligt hoog, de nuance laag, en de grap is vaak al gemaakt voordat iemand hem uitspreekt.
En net wanneer je denkt dat het niet absurder kan, komt daar de reclame. De grote gelijkmaker. Want daar zijn ze weer: dezelfde gezichten. Eerst nog zogenaamd authentiek aan tafel, nu ineens stralend naast een auto, een bank of een pak yoghurt. Het is bijna ontroerend hoe veelzijdig ze zijn. De ene minuut hebben ze een uitgesproken mening over de samenleving, de volgende minuut adviseren ze je over de beste manier om je was witter dan wit te krijgen.
Zes keer per avond. Soms zeven, als het tegenzit. Je begint je af te vragen of er ergens een geheim contract ligt waarin staat dat bekende Nederlanders minimaal 80% van de zendtijd moeten bezetten, anders valt het hele systeem stil. Misschien is er wel een noodknop. Dat bij een tekort aan BN’ers automatisch dezelfde persoon twee keer tegelijk in beeld verschijnt — één keer pratend, één keer poetsend.
Het wonderlijke is: niemand lijkt zich er echt over te verbazen. Alsof we collectief hebben besloten dat dit normaal is. Dat televisie nu eenmaal een soort doorlopende reclamefolder is, onderbroken door programma’s die eigenlijk ook reclame zijn, maar dan voor de mensen zelf.
En dus blijft de televisie soms gewoon uit. Niet omdat er niets is, maar omdat er te veel is van precies hetzelfde. Stilte wordt dan ineens een verademing. Geen meningen, geen ellende, geen gezichten die je al vijf keer hebt gezien voordat de avond überhaupt begonnen is.
Gewoon rust.
En eerlijk is eerlijk: dat is misschien wel het beste programma dat momenteel te vinden is.
Want laten we eerlijk zijn: de Nederlandse televisie is geen medium meer, het is een ecosysteem. Een gesloten kringloop waarin dezelfde tien hoofden voortdurend van programma naar programma migreren. Vandaag zitten ze in een quiz, morgen in een talkshow en overmorgen liggen ze zogenaamd spontaan in een badkuip om een nieuw schoonmaakmiddel aan te prijzen. Circulariteit is belangrijk, horen we altijd — nou, dat is bij deze sector uitstekend gelukt.
En dan het Journaal. Ooit bedoeld om je bij te praten over de wereld, tegenwoordig vooral een dagelijkse reminder dat het allemaal nog net iets erger kan. Je zet het aan met het idee: “Even kijken wat er speelt.” Vijf minuten later zit je zwijgend voor je uit te staren, terwijl ergens in je achterhoofd een stem fluistert: misschien was onwetendheid toch niet zo’n slechte levenshouding.
Maar goed, stel dat je dapper doorzet. Dat je denkt: kom, we gaan voor ontspanning. Dan beland je bij VI — zogenaamd satire van de bovenste plank, maar in werkelijkheid een derderangs praatprogramma dat zichzelf serieus genoeg neemt om gevaarlijk te worden. Mannen aan tafel, meningen in de aanslag, en een gesprek dat ergens tussen voetbal, verontwaardiging en herhaling blijft hangen. Het tempo ligt hoog, de nuance laag, en de grap is vaak al gemaakt voordat iemand hem uitspreekt.
En net wanneer je denkt dat het niet absurder kan, komt daar de reclame. De grote gelijkmaker. Want daar zijn ze weer: dezelfde gezichten. Eerst nog zogenaamd authentiek aan tafel, nu ineens stralend naast een auto, een bank of een pak yoghurt. Het is bijna ontroerend hoe veelzijdig ze zijn. De ene minuut hebben ze een uitgesproken mening over de samenleving, de volgende minuut adviseren ze je over de beste manier om je was witter dan wit te krijgen.
Zes keer per avond. Soms zeven, als het tegenzit. Je begint je af te vragen of er ergens een geheim contract ligt waarin staat dat bekende Nederlanders minimaal 80% van de zendtijd moeten bezetten, anders valt het hele systeem stil. Misschien is er wel een noodknop. Dat bij een tekort aan BN’ers automatisch dezelfde persoon twee keer tegelijk in beeld verschijnt — één keer pratend, één keer poetsend.
Het wonderlijke is: niemand lijkt zich er echt over te verbazen. Alsof we collectief hebben besloten dat dit normaal is. Dat televisie nu eenmaal een soort doorlopende reclamefolder is, onderbroken door programma’s die eigenlijk ook reclame zijn, maar dan voor de mensen zelf.
En dus blijft de televisie soms gewoon uit. Niet omdat er niets is, maar omdat er te veel is van precies hetzelfde. Stilte wordt dan ineens een verademing. Geen meningen, geen ellende, geen gezichten die je al vijf keer hebt gezien voordat de avond überhaupt begonnen is.
Gewoon rust.
En eerlijk is eerlijk: dat is misschien wel het beste programma dat momenteel te vinden is.