Het goedkope weekend van de dure kunst
1 maand geledenEén weekend per jaar is theater in Nederland plotseling wél betaalbaar.
Dan openen meer dan tachtig theaters feestelijk hun deuren, kosten kaartjes een tientje en mag iedereen ineens meedoen met iets dat de rest van het jaar vooral voelt als een cultureel luxeproduct.
Welkom bij het Nationaal Theaterweekend: het jaarlijkse bewijs dat het dus tóch kan.
De sector presenteert het als een warm gebaar. Toegankelijkheid! Publieksverbreding! Drempels verlagen! En eerlijk is eerlijk: volle zalen, blije bezoekers, goede sfeer. Maar onder dat feestelijke laagje ligt een ongemakkelijke vraag te sudderen:
Als het dit weekend lukt om kaartjes betaalbaar te maken — waarom lukt dat de rest van het jaar niet?
De logica van het lokkertje
De redenering van de cultuursector is ongeveer deze: mensen vinden theater te duur of denken dat het niks voor hen is. Dus geef ze één keer een goedkope ervaring. Bevallen? Dan komen ze later terug voor de volle prijs.
Dat klinkt slim, maar het is eigenlijk gewoon marketing. Geen cultuurbeleid.
We maken eerst voorstellingen die volgens de sector zelf “onbetaalbaar” zijn zonder subsidie, verkopen die vervolgens tegen hoge prijzen, zien dat het publiek afhaakt… en organiseren dan een kortingsweekend om mensen terug te lokken naar iets wat ze zich normaal niet kunnen veroorloven.
Dat is geen drempel verlagen. Dat is een uitzondering vieren op een structureel probleem.
Het echte probleem heet niet “publiek”, maar “prijs”
Er wordt vaak gedaan alsof het publiek moet worden opgevoed. Alsof mensen niet gaan omdat ze het niet snappen, niet gewend zijn, of een cultureel duwtje nodig hebben.
Maar misschien is de reden simpeler.
Misschien willen mensen best naar theater.
Alleen niet voor €38,50 plus garderobe, drankje en parkeerkosten.
In vrijwel geen enkele andere sector zou men zeggen:
“Ons product is te duur voor veel mensen. Laten we daarom één weekend per jaar korting geven en dat een succes noemen.”
Stel je voor dat de supermarkt dat deed.
“Brood is voor veel mensen eigenlijk niet betaalbaar, maar goed nieuws: dit weekend is er een Nationaal Boodschappenweekend!”
Niemand zou dat serieus beleid noemen.
Waar gaat het geld dan wél naartoe?
Voorstellingen zijn duur geworden. Niet alleen door acteurs en makers, maar door alles eromheen:
Grote gebouwen met hoge vaste lasten
Marketingcampagnes om zalen vol te krijgen
Technisch steeds zwaardere producties
Overhead, overleg, beleid, verantwoording
En als het publiek dat niet kan bijbenen, komt er geen structurele prijsverlaging, maar een campagne. Met posters, programma’s, extra activiteiten en feestelijke openingen.
Er gaat dus geld naar het overtuigen van mensen dat ze moeten komen, in plaats van naar het mogelijk maken dat ze kúnnen komen.
Toegankelijkheid als evenement
Het wrange is dat toegankelijkheid zo een soort jaarlijks evenement wordt. Iets feestelijks. Tijdelijks. Met slingers.
Terwijl echte toegankelijkheid saai is.
Dat betekent:
Structureel lagere kaartprijzen
Minder prestigeprojecten, meer speelbare voorstellingen
Minder geld naar campagnes, meer naar makers
Durven erkennen dat niet alles groter, technischer en duurder hoeft
Maar dat levert geen mooie persfoto’s op van volle zalen en ministers op de eerste rij.
Een kortingsweekend wél.
De pijnlijke conclusie
Het Nationaal Theaterweekend laat niet zien hoe goed de sector bezig is met toegankelijkheid.
Het laat vooral zien dat het huidige systeem de rest van het jaar níet toegankelijk is.
En dus vieren we drie dagen lang dat iets betaalbaar is, wat dat eigenlijk altijd zou moeten zijn.
Misschien is dat wel het meest tragische toneelstuk van allemaal.